ALTAREN, ALTAARVERSIERING, BOEKEN.
KAP. 21.

Dertien altaren zullen er zijn, en ieder altaar zal een kelk hebben, maar het hoogaltaar zal twee kelken hebben, en twee ampullen en twee paar kandelaars, een kruis en drie wierooksvaten, een voor dagelijksch gebruik en twee voor Heilige dagen en een ciborie voor mijn Lichaam. En men zorge er nauwkeurig voor, dat er verder geen andere zaken in het bezit van het klooster zijn van zilver noch goud. Want goud, zilver of edelsteenen zullen niet verzameld worden, maar mijn genade moet men trachten te verzamelen door voortdurend streven naar de volmaaktheid, vrome gebeden en goddelijke aanroepingen.

Het is ook toegelaten de relikwieŽn der Heiligen te vatten in goud, zilver of edelsteenen doch met mate, zonder eenigen overvloed. Er moeten boeken zijn zooveel als noodig zijn voor het verrichten van den goddelijken dienst, maar niet meer. Doch boeken om in te lezen en te studeeren mogen zij hebben zooveel zij willen. Verder zal ieder altaar volstaan met twee altaarkleeden en twee miskleederen voor Heilige en weekdagen. En nooit zal er op hetzelfde oogenblik meer in het bezit van het klooster zijn, dan nu voorgeschreven is.