OVER DE STILZWIJGENDHEID.
KAP. 6.

Ter handhaving van het gewichtige punt van stilzwijgen, is het van ’s morgens vroeg tot na de gezongen Mis der H. Maagd niemand geoorloofd te spreken, tenzij in geval van noodzakelijkheid en met verlof der Abdis. Als deze Mis geëindigd is, is het op de bevoegde plaatsen, tusschen de kerkelijke uren, tot dat de gebeden voor den maaltijd gezegd worden, geoorloofd te spreken over geestelijke dingen, over aangelegenheden der orde en over werkelijk noodige zaken. Lichtzinnige en ijdele woorden moeten echter overal en altijd vermeden worden. Na de dankzegging in de kerk kunnen de zusters zich weer met elkander onderhouden tot dat zij de Vespers beginnen, en dan zullen zij het stilzwijgen weer nauwkeurig onderhouden, tot zij in de kerk na het avondmaal de dankgebeden gedaan hebben. Ook gedurende den korten tijd die er tusschen de dankzegging en de collatie verloopt, is het toegestaan te spreken. Zoodra echter de collatie begonnen is, moet men met alle zorg het stilzwijgen onderhouden, tot dat den volgenden dag de gezongen Mis, ter eere der glorieuze H. Maagd, geëindigd is. Tot al de voorgeschreven bepalingen betrekkelijk het stilzwijgen zijn al de zusters verbonden, met uitneming van diegenen welke aangesteld zijn in zulke bedieningen, waarvan men zich zonder te spreken niet behoorlijk kan kwijten. Trouwens alles moet redelijker wijze geschieden en de gelegenheid tot het kwaad afgesneden worden.